zondag 4 augustus 2024

Kicking the bucket

 

Deze verzinkte vuilnisemmer ken ik nog uit mijn jeugd. Deze werden op gezette tijden aan de rand van de weg gezet, niet op vaste plekken. Een praktisch ontwerp, gemaakt van zink, een harde metalen lus aan de ene kant en een draag handvat. In gebruik tot ze werden vervangen door de eerste GFT bakken, de grijze en groen bak.

De vuilnisemmer was onderdeel van een heel afvalverwerkingssysteem, in 1902 door de in Zürich gevestigde J. Ochsner AG ontwikkeld. Het systeem bestond uit gestandaardiseerde vuilnisbakken en de bijbehorende vuilniswagenconstructies en was in het midden van de 20e eeuw wijdverbreid in Zwitserland.

Deze verzinkte vuilnisemmer herinner ik me nog goed uit mijn jeugd. Ze werden op vaste dagen, maar niet op vaste plekken, aan de rand van de weg gezet. Praktisch van ontwerp: gemaakt van thermisch verzinkt staal, voorzien van een stevige metalen beugel aan de voorkant en een handvat aan de zijkant. Ze bleven in gebruik tot ze werden vervangen door de eerste gescheiden afvalbakken — de grijze en groene GFT-container.

Wat ik toen niet wist, is dat deze vuilnisemmer onderdeel was van een uitgekiend afvalverwerkingssysteem, ontwikkeld in 1902 door het Zwitserse bedrijf J. Ochsner AG uit Zürich. Het systeem bestond uit gestandaardiseerde metalen emmers en speciale vuilniswagens die met die emmers konden werken. In de loop van de 20e eeuw werd dit systeem in heel Zwitserland ingevoerd, tussen 1926 en 1949.

De Ochsner-emmers waren gemaakt van verzinkt plaatstaal en hadden een kenmerkend scharnierend deksel met een lipje met een gat, en een stevige beugel aan de voorkant. De vuilnisman hing de emmer met de beugel aan een haak onder het schuifdeksel van de vuilniswagen. Het lipje paste over een bout op het schuifmechanisme. Zodra de hendel werd bediend en het deksel werd opgetrokken, ging het lipje mee omhoog, het deksel opende zich, en de emmer kantelde automatisch — waardoor de inhoud efficiënt in de wagen werd geleegd. Dit kon met meerdere emmers tegelijk.

Ook Nederland nam dit systeem over, via de NVRD (Nederlandse Vereniging voor Reinigings- en Afvaldiensten), opgericht op 4 september 1907 met 21 leden. In het interbellum, rond 1931, werd de standaard vuilnisemmer met deksel gratis ingevoerd. In 1941 waren er al 250.000 van deze Ochsner-emmers in omloop, met een inhoud van 33 of 55 liter. Elke nieuwe emmer werd geleverd met een gebruiksaanwijzing, waarin ook het serienummer genoteerd kon worden. Strikte voorschriften bepaalden bijvoorbeeld dat emmers met een beschadigd dekselscharnier niet meer mochten worden gebruikt. Veel mensen bekleedden de emmers met krantenpapier om ze schoon te houden.

De manier van afval verwerken veranderde echter. In 1978 begon men in Noord-Brabant met het apart inzamelen van glas. Papier volgde in 1980 en in 1981 opende de eerste kringloopwinkel in Dieren. De scheiding van groente-, fruit- en tuinafval werd in 1994 verplicht gesteld. Zo ontwikkelde Nederland zich langzaam richting gescheiden afvalstromen — en daarin paste de Ochsner-emmer uiteindelijk niet meer.

Toch is de emmer niet vergeten: op Marktplaats worden ze tegenwoordig aangeboden voor prijzen tussen de 30 en 50 euro, als reliek uit een andere tijd.

En hoewel de emmer uit het straatbeeld is verdwenen, bestaat Ochsner zelf nog steeds. Op 8 april 2014 gingen de activa en passiva van J. Ochsner AG over naar Contena Handels AG, tegenwoordig bekend als Contena-Ochsner AG, gevestigd in Schlieren.

zondag 28 juli 2024

For bitter for worst

 

Ik ben al jaren gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog. Dankzij kanalen als World War 2 van Indy Neidell en Spartacus Olson kom ik steeds weer op nieuwe, verrassende video’s terecht — zorgvuldig geserveerd door het algoritme. Zo stuitte ik onlangs op een merkwaardig NSB-propagandafilmpje uit januari 1942: Een dag vol Pech. Bedoeld als komedie, maar met een wrange ondertoon.

De hoofdpersoon is de opgeblazen en bekakte “mijnheer De Roddelaere Verroest”, gespeeld door Jan C. de Vos jr., die duidelijk het bekrompen, ‘oude’ Nederland moet voorstellen in de ogen van de NSB. Hij strompelt van de ene ongemakkelijke situatie naar de andere, steeds opnieuw geconfronteerd met enthousiaste NSB’ers. “Gut gut, wat een tijd, wat een tijd,” verzucht hij herhaaldelijk. Als propagandamateriaal is het doorzichtig, maar technisch gezien zeker niet slecht gemaakt — zolang je de weerzinwekkende boodschap in gedachten houdt.

Een opvallende scène speelt zich af op een terras, waar De Roddelaere Verroest een “Voorburchje” bestelt — een bittertje. Kort daarna vraagt hij joviaal om een “Lichte Angst” voor een oude studievriend, die volgens hem elk moment zal verschijnen. Dat blijkt dan een NSB’er in uniform te zijn. “Foei!” roept hij geschokt, terwijl hij zijn toevlucht zoekt in de serre.

Die Voorburch en Lichte Angst zijn dus zogeheten bittertjes, een type alcoholisch kruidendrankje dat in de jaren dertig opnieuw populair werd in Nederland. De oorsprong is vermoedelijk medicinaal: een mengsel van kruiden en sterke drank, bedoeld als opkikker. Bittertjes bevatten minder dan 100 gram suiker per liter — anders zouden ze als kruidenlikeur gelden. Door de bittere smaak, vaak op basis van sinaasappelschil, vallen ze onder de bitters. Bekendere internationale varianten zijn bijvoorbeeld Campari, Jägermeister en Oranjebitter.

Dat bittertjes in de jaren ’30 aan populariteit wonnen, zou indirect te danken kunnen zijn aan de drooglegging in Amerika: slechte alcohol werd drinkbaar gemaakt door die te mengen met sterk smakende bitters. Zo ontstonden de voorlopers van de cocktailcultuur — soms meer overlevingstechniek dan luxe.

De bittertjes zijn inmiddels vrijwel verdwenen uit het dagelijks leven. Maar wat wél is gebleven, is het bijbehorende hapje: de bitterbal. En natuurlijk het bittergarnituur, of zoals je het ook zou kunnen noemen: de bruine fruitschaal. Nog steeds geliefd in Nederland, België en Indonesië — daarbuiten nauwelijks bekend. En vanzelfsprekend: alleen serveren met mosterd. We zijn tenslotte geen barbaren.

Een dag vol Pech eindigt, hoe toepasselijk, bitter. De zoon van De Roddelaere Verroest kondigt aan dat hij zich wil aansluiten bij de Jeugdstorm. De vader, gebroken, knielt tenslotte in gebed voor een overwinning van... Stalin. Toen nog een verre hoop. We weten allemaal hoe het zou aflopen.

zondag 16 juni 2024

Are you Yoko-ing?

 

Ah, de jaren ’80 en persoonlijke audio. Als je andere kinderen hoorde praten over een "stereo", had je geen idee wat het was — behalve dat het duur klonk. Elektronicazaken stonden toen nog vol met platenspelers, grote beeldbuizen en hoekig witgoed. Je kon er LP’s kopen, en cassettebandjes. De walkman moest zijn doorbraak nog maken. Informatie over dat soort nieuwe snufjes was schaars, en ik had geen geld, laat staan enig benul.

En toen kwam Yoko. In de vorm van een hoekig, roze, draagbaar radiootje. Het zag eruit zoals het klonk: goedkoop. Maar het werkte — technisch gezien dan. Het geluid was erbarmelijk. Tot op de dag van vandaag is "Yoko" in ons huishouden een afkeurend scheldwoord voor alles wat plastic en ondermaats is.

In die tijd begon Azië op te komen als industriële grootmacht. Behalve protserige auto’s kwam er ook een stroom aan goedkope elektronica onze kant op. Alles op de kermis was "Made in Taiwan": van horloges tot felgekleurd speelgoed, dat achteraf vaak vol zware metalen bleek te zitten. Yoko paste perfect in dat plaatje: goedkoop plastic, matige afwerking, minimale kwaliteit.

Sony was het merk waar je eigenlijk naar verlangde, maar de prijs was vier keer zo hoog. Waar een Sony-radio je zo'n 80 gulden kostte (ongeveer 36 euro), had je een Yoko voor 15 gulden (ruim 7 euro). Voor een kind zonder spaargeld was de keuze snel gemaakt.

Groot was dan ook mijn verbazing toen ik ontdekte dat Yoko helemaal geen Aziatisch merk was, maar gewoon Nederlands — gevestigd in Halfweg. Het bedrijf bestond van 1976 tot halverwege de jaren ’80, toen het werd overgenomen door Gist Brocades. In 1989 werd het verzelfstandigd, toen het moederbedrijf in zwaar weer kwam. Sinds 2013 viel de merknaam onder Allied Electronics, samen met merken als Marquant — inmiddels allemaal verdwenen.

Omdat dit alles zich afspeelde ruim voor het internettijdperk, is er weinig informatie over te vinden. Maar op Marktplaats duikt Yoko nog regelmatig op — een echo van een tijd waarin "persoonlijke audio" begon bij plastic, ruis en een berg goede wil.



dinsdag 11 juni 2024

In exchange for power

 

De gebruikersinterface van een on-premises Exchange Server stelt weinig voor. Wie écht inzicht wil, is al snel aangewezen op PowerShell. In dat geval is het installeren van de Exchange PowerShell snap-in op je laptop een handige oplossing. Je kunt deze laden in PowerShell ISE, of je start direct de Exchange PowerShell-omgeving zodat de benodigde cmdlets beschikbaar zijn.

Zo installeer je de Exchange PowerShell-tools:

  1. Download een Exchange 2016 ISO-bestand.

  2. Mount de ISO.

  3. Open een opdrachtprompt als administrator.

  4. Navigeer naar de gemounte schijf, bijvoorbeeld D:\.

  5. Voer het volgende installatiecommando uit:

    Setup.exe /IAcceptExchangeServerLicenseTerms_DiagnosticDataON /Role:ManagementTools

Problemen na een herstart?

Soms treden fouten op tijdens een herstart, vooral bij ontbrekende IIS-compatibiliteit. Volg dan deze stappen:

  1. Start het systeem opnieuw op.

  2. Open opnieuw een opdrachtprompt als administrator.

  3. Schakel de vereiste Windows-features in met de volgende commando's:

    • IIS 6 Management Compatibility inschakelen

    • Metabase-ondersteuning activeren

  4. Mount de Exchange ISO opnieuw.

  5. Navigeer weer naar de ISO-schijf (bijvoorbeeld D:).

  6. Herhaal het installatiecommando:

    Setup.exe /IAcceptExchangeServerLicenseTerms_DiagnosticDataON /Role:ManagementTools

zondag 17 december 2023

My definition of plagiarism

 


Helmut Geier – bij zijn vrienden beter bekend als Hell – groeide op in het landelijke Chiemgau, een district in Beieren. Al op jonge leeftijd ontwikkelde hij een passie voor muziek, met name punkrock. In de zomer van 1977 kocht hij zijn eerste punkplaat: Damned, Damned, Damned (1976) van The Damned. De rauwe energie en instinctieve kracht van de muziek grepen hem meteen.

Een jaar later stond Hell zelf achter de draaitafels in een lokale nachtclub. “Het was eigenlijk een hippieclub,” herinnerde hij zich later. “Ze háátten ons echt.” Toch werd zijn avond, Hell’s Night, al snel een succes, en hij kreeg de felbegeerde weekendspot toegewezen.

Begin twintig verhuisde Hell naar München om aan de slag te gaan bij een computerbedrijf. Zijn muzikale voorkeur was inmiddels verschoven: rap (hij verzamelde fanatiek tapes van Red Alert en Chuck Chillout), rare grooves en electro bepaalden nu zijn soundtrack. Dankzij de importwinkels in München kwam hij uiteindelijk in aanraking met house en techno. In clubs als Tanzlokal Grössenwahn draaide hij voornamelijk Britse acid house, die zijn stijl sterk beïnvloedde.

In 1992 kreeg hij de kans om te draaien op de Love Parade in Berlijn. Hij sloot zijn set af met een eigen productie: een enkelzijdig wit label met de titel My Definition of House. De track, een explosieve mix van heavy-funkpercussie en weelderige orkestratie, had hij volledig zelf uitgebracht — zonder contract of distributie. De cello-sample was “geleend” uit een theaterstuk van David Byrne en Brian Eno. Renaat Vandepapeliere, het hoofd van R&S Records, was zo onder de indruk dat hij Hell direct een contract aanbood. Een langdurige samenwerking werd het niet, maar het momentum was daar.

Hell zou vaker zulke pastiches maken. Op het album Munich Machine verwees hij openlijk naar Giorgio Moroder en Donna Summer — zelfs de albumtitel was een knipoog. Toch bevatte het ook verrassende keuzes, zoals een elektronische bewerking van Suicide Commando van de obscure gitaarband No More uit Hannover. Die single had Hell jarenlang gedraaid; het voelde als een symbolische cirkel: zijn muzikale reis was rond.

Persoonlijk vind ik de genoemde nummers fantastisch. Ik onderschrijf dan ook graag het motto: beter goed gestolen dan slecht verzonnen. Deze nieuwe context verandert niets aan mijn waardering voor de track — integendeel.



zondag 10 december 2023

Smile!

 

De eerste voormalig President van de Verenigde Staten waar een 'mugshot' van is gemaakt.

De term mugshot vindt zijn oorsprong in het Britse woord mug, een informele benaming voor iemands gezicht. De eerste bekende toepassing van mugshot dateert uit het einde van de 19e eeuw en werd vooral gebruikt om een foto van het gezicht van een individu—vaak een crimineel—te beschrijven. De oorsprong van mug zelf gaat nog verder terug: het is afgeleid van het Scandinavische mugg, wat ‘mok’ of ‘grimas’ betekent.

De praktijk van visuele identificatie van personen bestond al vóór de komst van fotografie. Vroege pogingen omvatten tekeningen en beschrijvingen, maar halverwege de 19e eeuw bracht de Franse politieambtenaar Alphonse Bertillon een revolutie teweeg in het proces. Hij ontwikkelde bertillonage, een gestandaardiseerde methode voor strafrechtelijke identificatie met behulp van foto’s—de voorloper van de moderne mugshot.

 

Alphonse Bertillon en enkele "Bertillonages"

In de 20e eeuw werd de mugshot een essentieel instrument voor wetshandhaving wereldwijd, mede dankzij de technologische vooruitgang in fotografie. Vandaag de dag dienen mugshots als standaardmiddel voor identificatie en documentatie van personen die in aanraking komen met de autoriteiten. Ondanks hun functionele karakter blijft de term mugshot verbonden met de historische evolutie van criminele identificatiemethoden.

Een bijzonder voorbeeld hiervan is het Australische Justice & Police Museum, dat 2.500 politiefoto’s van criminelen uit de jaren twintig heeft vrijgegeven. Deze beelden—van moordenaars, bigamisten, dranksmokkelaars en prostituees—bieden een fascinerende inkijk in het Australië van de vroege 20e eeuw. Veel van deze zogenoemde 'speciale foto’s' werden genomen in de cellen van het centrale politiebureau in Sydney. Volgens curator Peter Doyle tonen ze vaak mannen en vrouwen die net van de straat zijn geplukt, nog steeds geanimeerd door de gebeurtenissen rond hun arrestatie.

William Stanley Moore. 1926. Opiumdealer./ Werkt met grote hoeveelheden nagemaakte opium en cocaïne./ Een werfarbeider; werkt samen met waterdieven en drugshandelaren.

 

Albert Stewart Warnkin and Adolf Gustave Beutler. 1920.

 

Mugshot van William Cahill, 30 juli 1923, centraal politiebureau, Sydney.


Mugshot van Thomas Bede, 22 november 1928. Onderschrift: ‘Deze man weigerde zijn ogen te openen’.


zondag 26 november 2023

The signal came from inside the house

 

Wanneer mensen proberen het postadres van een verdachte internetsite te achterhalen, komen ze vaak uit bij de coördinaten 52°30'0"N, 5°45'0"E. Voor een gezin uit Dronten is dat een probleem—want precies daar staat hun huis.

Deze locatie blijkt de algemene geografische aanduiding van Nederland te zijn, waardoor databases het als standaard weergeven in plaats van “onbekend, maar ergens in dit land.” Dat leidde tot onbedoelde verwarring en overlast.